Dagboek van mijn ziel: Ontmoetingen

Dagboek van mijn ziel: Ontmoetingen

Het volgende fragment schreef ik in 2008 en gaat over ontmoetingen aan de schrijftafel en wat ze ons kunnen leren. Een verhaal over durven je verhalen delen en JIJ BENT JIJ.

Ik wandel door het bos en vind een open plek begrensd door sparren, kastanjes en beuken. Ik ga met mijn rug tegen de dikste boom zitten. Het is een oude beuk die sporen van verval begint te vertonen. Ze draagt geen vruchten meer, haar schors bladdert af, paddestoelen eten zich een weg naar haar kern. Toch al ze dit jaar nog standhouden en misschien nog vele seizoenen daarna. Ik leun tegen haar rug en zoek tussen haar wortels een stabiele plaats voor mijn voeten. In mijn schoot ligt een boek vol lege bladzijden. Ik neem mijn pen in de hand en schrijf. Vogels fluiten om me heen. Ik snuif de geur op van aarde na een regenbui. Het bos ontwaakt. Blaadjes ruisen in de wind. Ze worden begeleid door een nieuw geluid… het geschuifel van voetstappen. 

Twee kinderen betreden de open plek. Ik kijk op en zie een broer en een zus. Het is een tweeling. Ze hebben blonde haren en dragen bij elkaar passende groene kleding. Ze lopen hand in hand. Ze lachen en komen naar me toe. Ik wil hen vragen wat ze komen doen, maar het meisje is me voor. Ze steekt haar handen uit en reikt me iets aan. Ik neem het van haar over. Het is een pen. De jongen haalt een kistje uit zijn zak. Het is klein, gemaakt van kostbaar hout. Iemand had uren geduld uitgeoefend om een haarfijn motief uit te snijden.

‘Alsjeblieft’, zegt de jongen.

Ik neem het kistje aan en bedank hen. ‘Helaas heb ik zelf niets om te geven.’

‘Dat heb je wel’, zegt het meisje. Ze heeft nog steeds een hartverwarmende glimlach op haar gezicht. ‘Je kunt ons een verhaal vertellen.’

Ik klap mijn boek dicht en leg mijn handen in mijn schoot. ‘Oké, wat willen jullie horen?’

Het meisje wijst naar mijn boek. 

‘Dit?’ vraag ik verbaasd, terwijl ik de kaft tegen me aan klem. ‘Dit verhaal is nog niet af.’

‘Het meisje schudt lachend haar hoofd. ‘Dat geeft niet. Dan komen we morgen terug en de dag daarna… tot het af is.’

Ik twijfel. ‘Ik weet niet of jullie dit wel willen horen. Het is waarschijnlijk niet interessant genoeg. Ik ben geen goede verteller. Ik ben…’

De jongen kijkt me nu diep in mijn ogen en zegt: ‘We willen luisteren. Wat je ons verteld zal goed zijn, want jij bent jij.’

Het doet me goed dit te horen. Jij bent jij. Met je lach en je talenten. Je aanwezigheid is genoeg. Je kan niets verkeerd doen. Ik lach… maar daarna slaat de twijfel toe. Bedoelde hij het wel als compliment? Ik herinner me een woordenwisseling waarbij een vrouw haar vriend aan de deur zet. Hij kwam te vaak te laat thuis van zijn werk, hij liet zijn spullen rondslingeren en slurpte van zijn soep. Toen hij moest vertrekken, smeekte hij haar om hem nog een kans te geven. Hij wist niet wat hij verkeerd gedaan had, maar de vrouw was onverbiddelijk. Ze gooide zijn rugzak in de gang van het appartement en zei: ‘Het komt niet goed tussen ons. Jij bent te… jij bent jij. Jij bent jij met je slechte gewoonten en je onverbeterlijke karakter.’

Misschien was ik ook zo. Misschien ben ik te mij in negatieve zin. Misschien moet ik meer zijn zoals de anderen. Dat is het. Ik moet een geconditioneerd leven leiden. Ik moet aan de voorwaarden voldoen: naar school gaan, een diploma halen, werken, overuren maken. Of niet? Zij die het woord conditie ontleden, komen voor verrassingen te staan. We denken natuurlijk allemaal in de eerste plaats aan sporten om in vorm te blijven. Maar we kunnen het ook anders bekijken. ‘Ditie’ doet sterk denken aan dictie. Het woord voor dicteren, opleggen of het Franse ‘dit’ zeggen. Maar dan staat er het woord ‘con’ voor Latijns ‘tegen.’ Met andere woorden conditie verschilt niet zoveel van tegen zeggen. Als ik het woord mag geloven, moet ik niet doen wat anderen zeggen, moet ik niet meer zoals anderen worden. Ik kan ik blijven.

Het zou nogal toestanden geven als we allemaal bang worden om onszelf te zijn. We zouden voortdurend op ons hoede zijn, opletten met wat we zeggen. In het ergste geval zouden we ons huis niet meer uit durven uit angst dat we iemand onbewust met onze slechte gewoontes zouden lastigvallen. Zo kan een acuut geval van pleinvrees ontstaan. We durven niemand meer onder ogen te komen. We bestellen onze boodschappen online, want internet is daar natuurlijk een fantastisch hulpmiddel voor. We hoeven zelfs geen plaatsen meer te bezoeken om het gevoel te krijgen dat we er echt geweest zijn. Ik, als schrijver die niet tegen de zon kan, maak hier dankbaar gebruik van. 

Iedereen heeft aanleg voor de een of andere fobie. Schrijvers, acteurs,… zijn volgens mij extra vatbaar. Of nee, vatbaar is misschien niet het juiste woord. We nemen die gevoelens, die fobieën onder de loep en vinden er een uitlaatklep voor. Ik ben ik. Ik kan dingen vatten en ze uitvergroten. Schrijvers zijn als de raven uit oceanische mythen. Ze hebben hun eigen schaduw opgegeten. De angsten die hen doen beven, de twijfel die hen wakker houd, de ‘slechte’ kantjes van hun eigen karakter schuwen ze niet. Ze pennen ze neer. Ze halen ze uit hun geest, slikken ze door en spuwen het uit als acteurs of laten het via hun vingers op papier sijpelen. De raaf wordt geschuwd in veel culturen omdat hij anderen met hun schaduwzijde confronteert. Hij zou in hun ziel kunnen kijken en er alles zien wat in hen omgaat. Schrijvers doen dit ook wel eens. Ze raken mensen. Ze oberveren. Ze geven mensen voorbeelden van anderen die aan hun schaduwzijde werkten. Maar we mogen natuurlijk zelf de pedalen niet verliezen. We kunnen ons zozeer in een verhaal verdiepen, dat we onze schrijfkamer niet meer uitkomen en eigenlijk leiden we allemaal aan persoonlijkheidsstoornissen. We kruipen in de huid van mannen en vrouwen, kinderen en bejaarden, daders en slachtoffers. Gedurende de tijd dat we aan een boek werken leven er meerdere persoonlijkheden in onze geest. Ik mag mezelf gelukkig prijzen. Voor schrijvers is dit toegestaan. Ieder ander die plots beweert dat hij zijn geest met anderen deelt, wordt scheef bekeken en riskeert achter gesloten deuren op een psychiatrische instelling te belanden. Ik stel het hier nu natuurlijk simpel voor. Er zijn verschillende gradaties. Sommige mensen lijken echt een vreemde in hun hoofd te hebben. Ze spreken een taal die ze nooit geleerd hebben of weten dingen die ze niet konden weten. Er moet misschien een verklaring voor en misschien komen we wel dichter bij de oplossing. Zolang ik op deze manier mijn schaduw onder ogen durf zien, zit het wel goed met me. Dan kan ik mezelf zijn en hoef ik de woorden van de jongen in het bos niet negatief op te vatten. JIJ BENT JIJ. Iemand die voortdurend in ontwikkeling is. Iemand die weet dat er geen zekerheid bestaat dat de waarheid van vandaag morgen ook nog geld. Iemand die niet van zichzelf denkt dat hij de beste is, maar die wel elke dag opnieuw het beste uit zichzelf wil halen. Ik ben maar een leerling op weg naar…

Ik ben blij dat de jongen en het meisje willen luisteren. Ze hoeven er niet altijd veel van te begrijpen. Maar ik weet nu dat dit mijn manier is om hen iets terug te geven. Ik kan ervoor zorgen dat de pen van het meisje gebruikt wordt en dat de jongen zijn kostbare kistje niet voor niets gegeven heeft. Het is een doos waar trouwens niets inzat. Hij is leeg. Het is aan mij om hem te vullen met wat ik wil. De doos is ons erfgoed met verhalen, waarden, beelden,… Het is aan ons om te bepalen hoe we deze vullen.

Wil je zelf leren je verhaal neerschrijven? Of gewoon een dag tijd maken om al je schrijfsels aan elkaar te knopen? Kom dan op dinsdag 14 januari naar de schrijfdag in Zarren.  Contacteer me voor meer info. 

By | 2019-11-17T10:23:28+00:00 november 17th, 2019|Schrijfsels|0 Comments

About the Author:

Leave A Comment